Agenda

zo ma di wo do vr za
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30

Twitter

‘De Motte’ draagt eilandelijke bodemvondsten over aan Provinciaal Depot

GOEREE-OVERFLAKKEE – Voor het eerst in de bestaansgeschiedenis van Historische vereniging voor Goeree-Overflakkee ‘De Motte’, die nu 44 jaar bestaat, heeft de vereniging opgegraven stukken overgedragen aan het Provinciaal Archeologisch Depot in Alphen aan den Rijn. De werkgroep archeologie van de vereniging is, onder leiding van Rias Olivier, al geruime tijd bezig om diverse opgravingsresultaten klaar te maken voor overdracht. Afgelopen maandagmiddag werden in ‘Achter de Sjoel’ te Middelharnis, de werkruimte van ‘De Motte’, de eerste veertien dozen met aardewerkscherven overgedragen aan Frits Kleinhuis van het Provinciaal Depot.

Door Hans Villerius

Volgens de Monumentenwet vormen bodemvondsten een gemeenschappelijk bezit. Ze moeten daarom niet alleen worden veilig gesteld, maar ook voor iedereen toegankelijk gemaakt, voor o.a. wetenschappelijk onderzoek, waarbij met nieuwe inzichten naar oude opgravingen wordt gekeken zodat er nadere conclusies getrokken kunnen worden omtrent het leven in vroeger tijden. Maar ook worden vondsten en bijbehorende documentatie in bruikleen gegeven aan musea of andere culturele instellingen, ter uitbreiding van de kennis van de geschiedenis.

Documenteren
Het Provinciaal Archeologisch Depot in Zuid-Holland is in Alphen aan den Rijn gevestigd en bewaart hier de archeologische collectie van de provincie. Voor instellingen die zich beroepsmatig bezighouden met archeologie geldt een termijn van twee jaar waarbinnen vondsten aan het Provinciaal Depot moeten worden overgedragen. Voor verenigingen als ‘De Motte’ geldt zo’n termijn niet, maar toch is het de bedoeling dat ook bodemvondsten die zij gedaan hebben op termijn bij het depot terecht komen. Niet dat het opslaan aldaar een doel op zich is, maar het gaat puur om het veilligstellen van het erfgoed dat uit de (streek)eigen bodem komt. Dat gedocumenteerd wordt waar welke bodemvondst bewaard wordt, dus dat er overzicht is wát zich wáár bevindt.

Ruimtegebrek
Al vanaf 1969 deed ‘De Motte’ archeologische opgravingen, totdat het Verdrag van Malta bepaalde dat de bodem de beste conserveerplek is van archeologisch erfgoed en dat alleen professionele instellingen hier nog opgravingen naar mogen doen. De vondsten die ‘De Motte’ jarenlang deed, werden op diverse plekken opgeslagen. In het Museum Ouddorps Raad- en Polderhuis, in de Toren van Goedereede en in Streekmuseum Goeree-Overflakkee zijn diverse voorwerpen te bezichtigen. Maar het meeste staat of ligt opgeslagen in de eigen werkruimte ‘Achter de Sjoel’. Een flink aantal gebruiksvoorwerpen is ondergebracht in en op (vitrine)kasten, maar het overgrote deel wordt in dozen bewaard. Sinds ‘De Motte’ haar onderkomen niet meer in gebouw ‘De Doele’ te Sommelsdijk heeft, heeft ze voor opslag echter nauwelijks ruimte meer. Zodoende kwam als vanzelf het Provinciaal Depot in beeld.

Meerjarenproject
Niet dat de eilandelijke vereniging onbekend was met het bestaan van het Depot, maar het opmaken van inventarislijsten van de opgravingen is zo’n intensieve en tijdrovende bezigheid dat de archeologiewerkgroepsleden, die alleen hun vrije tijd hiervoor beschikbaar hebben, daar niet aan toe kwamen. En ook mede door het ontbreken van een werkruimte tussen 2001 en 2009. Sinds Rias Olivier ‘in ruste’ is, heeft hij echter het inventariseerwerk systematisch opgepakt. Per vondst maakt hij lijsten waarop o.a. wordt vermeld waar en wanneer welk voorwerp werd gevonden, met daarbij een omschrijving van de vondst, een precieze datering, welk soort afbeelding ervan bewaard wordt – foto, dia, negatief of digitaal, en waar de vondst wordt bewaard. “Van 43 jaar opgravingen zijn we zo een inventaris aan het opmaken. Een meerjarenproject!”, geeft Olivier aan.

Verhaal
“Je kunt je natuurlijk afvragen wat je met al ‘die rommel’ moet, die je in de bodem tegenkomt”, vervolgt hij, “maar dikwijls wordt dan vergeten dat dít juist de dingen zijn die inzicht verschaffen over de historie van onze eigen streek. Als we bijvoorbeeld kijken naar het aardewerk dat in Dirksland uit de bodem komt, verschilt dat duidelijk van kleur met de vondsten die op andere plekken op het eiland worden gedaan. Dat wijst op een andere makelij, waarvan we inmiddels weten dat die uit een andere streek in Nederland geleverd werd. Er liepen met Dirksland dus andere handelslijnen dan met andere plekken op Goeree-Overflakkee. Je kunt je vervolgens afvragen waar ‘em dat in zat om daaruit weer meer te weten te komen over het leven van onze voorouders en over het verleden van ons eigen gebied.”
Nog een ander voorbeeld geeft Olivier. Uit een doos die hij precies weet te vinden pakt hij een voorwerp dat op ’t eerste gezicht op niet meer dan een potscherf lijkt. In werkelijkheid blijkt het een puntgaaf bewaard gebleven dekseltje te zijn van een zgn. ‘spreeuwenpot’. “Gevonden aan de Voorstraat in Ooltgensplaat”, vertelt Rias Olivier. “Dit deksel zat op een pot die mensen buiten aan de muur hingen. Vanvoren was de pot open en we weten dat spreeuwen hier graag gebruik van maakten om een nestje in te bouwen.” Rias steekt het dekseltje omhoog en vervolgt: “Tegen de tijd dat de jongen uit zouden vliegen, haalden de bewoners dit dekseltje uit de zijkant van de pot aan hun muur, ze haalden de jongen van het nest, draaiden hun de nek om en… aten ’s avonds spreeuw. Vandaar de naam ‘spreeuwenpot’, die alleen welgestelden hadden. Uit deze vondst weten we nu dus dat in Ooltgensplaat spreeuwen werden gegeten. En zo zit achter elke vondst, hoe onbenullig het misschien ook oogt, een heus verhaal.”

Geen jaren genoeg
Blij is Olivier dat hij een eerste hoeveelheid opgravingen van ‘De Motte’ aan het Provinciaal Depot kan overdragen. “Het zijn dozen met alleen kapotte stukken, afkomstig van tien opgravingen uit de periode 1969-1992. Sommige stukken en een aantal hele voorwerpen houden we graag nog een poosje hier. Als er cursussen worden gegeven, kunnen we dan laten zien waar het over gaat”, legt hij uit. Volgens Frits Kleinhuis van het Provinciaal Depot is dat geen enkel probleem. “We bewaren de spullen eigenlijk ook het liefst waar ze gevonden zijn, maar dan raak je het overzicht erover kwijt. Daarom houdt het Depot het toezicht op de vondsten. Wij bewaren ze niet alleen, maar conserveren ze zo nodig ook, op kosten van de provincie. En wil men gebruik maken van archeologische vondsten die in het Depot liggen opgeslagen, dan is ook dat geen enkel probleem. Wij brengen de spullen zelf naar waar men ze hebben wil, compleet met gebruikersovereenkomst.”

Intussen gaat Rias Olivier verder met inventarisatie- en andere werkzaamheden voor ‘De Motte’. “Maar dat krijg ik niet meer af hoor”, geeft hij stellig aan. “Er ligt hier nog zó ontzettend veel werk. Als ik dat állemaal nog zou willen doen, dan zou ik daar straks geen levensjaren genoeg meer voor hebben…”.

(Bron: Eilandennieuws)