Agenda

zo ma di wo do vr za
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31

Twitter

Leesvoer: 'Kasteelberg Spreeuwenstein. Archeologisch onderzoek naar de motte van Ouddorp'

Wij delen dit artikel over de motte van Ouddorp met u om te lezen. Dit artikel verscheen eerder in De Ouwe Waerelt nummer 51 (december 2017). Veel leesplezier!

Kasteelberg Spreeuwenstein

Archeologisch onderzoek naar de motte van Ouddorp

Door: W.B. Verschoof-van der Vaart*

Aan de Steenweg, ten zuiden van de bebouwde kom van Ouddorp (gemeente Goeree-Overflakkee), ligt een grasland met in het midden een ronde heuvel. Dit zijn de resten van kasteel Spreeuwenstein. In 2015 2017 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau op dit terrein meerdere (veld)onderzoeken uitgevoerd om de aard en geschiedenis van het kasteel te achterhalen.1 De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om het terrein opnieuw in te richten ten behoeve van publieksbereik, waarbij elementen van het kasteel gevisualiseerd worden. Omdat het hier echter een beschermd Rijksmonument betreft, dient deze visualisatie gebaseerd te zijn op archeologisch en historisch onderbouwde gegevens.

Archeologen in de dop

In het volgende zal eerst worden ingegaan op het fenomeen mottekasteel in Nederland en de geschiedenis van kasteel Spreeuwenstein. Daarna volgen de resultaten van het archeologisch onderzoek.

Mottekastelen in Nederland

In Nederland wordt meestal de volgende definitie gehanteerd voor mottekastelen: “een motte is een geheel of gedeeltelijk kunstmatige heuvel met een regelmatige vorm en steile zijden, die gewoonlijk door een droge of natte gracht omgeven wordt. De constructie heeft tot doel de op zijn afgeplatte top staande (houten) versterkingen beter te verdedigen en de omgeving te beheersen. Vaak is er een lager gelegen voorburcht aan de motte toegevoegd.2 Een motte bestond dus uit een heuvel, die minimaal drie meter hoog moest zijn (tweemaal manshoog), zodat deze goed verdedigbaar was. Daarnaast moest de diameter van de top van de motteberg (het platform) groot genoeg zijn om plaats te bieden voor een houten of stenen toren, maar klein genoeg zodat deze met een geringe bezetting goed verdedigd kon worden.3

De ideale bouwlocatie van een mottekasteel was dicht bij een strategisch, en van nature makkelijk verdedigbaar, punt aan een rivier (of andere watergang), weg of moeras. De mottekastelen in het laaggelegen (West-)Nederland liggen voornamelijk in beekvalleien of op drassige en waterrijke terreinen. Het is duidelijk dat militaire overwegingen (natte grachten) deze terreinkeuzes bepaalden.4

De meeste Nederlandse mottekastelen zijn tussen het begin van de 12e eeuw en het midden van de 13e eeuw gebouwd.5 Volgens van Heeringen e.a. (2007, 29) komen reeds in de 11e eeuw vergelijkbare verdedigingswerken voor in Zeeland en omgeving. Vanaf de 13 e eeuw werden mottekastelen door invloedrijke adel ‘gemoderniseerd’ naar bakstenen kastelen of vervangen door nieuwe kastelen. Lagere adel bleef echter, in ieder geval in Zeeland, tot in de 14 e eeuw mottekastelen bouwen.

In de provincie Zuid-Holland zijn twaalf mottekastelen bekend, waarvan Spreeuwenstein de enige op Goeree-Overflakkee is.6 Op Voorne-Putten zijn drie mottekastelen bekend (Oostvoorne, Zwartewaal en Hilligersbergen in Heenvliet), die (uitvoerig) archeologisch zijn onderzocht.7 Deze drie dateren uit de 12e of 13 e eeuw.

Van de meeste mottekastelen is enkel een aarden heuvel van geringe diameter (deels) bewaard gebleven.8 In Nederland zijn echter ook enkele grote mottekastelen bekend, zoals Oostvoorne, Borssele en de Burcht in Leiden. Deze dateren over het algemeen uit de 12e eeuw. Vaak hebben deze grote mottes een ronde of ovale ringmuur. Deze kan, zoals in het geval van Oostvoorne, uitspringende torens hebben. Op het platform stond meestal een, vrijstaande of tegen de ringmuur aangebouwde, toren. 9 Op basis van archeologisch onderzoek kunnen we veronderstellen dat de bebouwing op mottes zich ontwikkeld heeft van houten of natuurstenen constructies (torens en palissades) naar bakstenen structuren, zoals (woon)torens en ringmuren.10

Over de voorburchten van mottekastelen is weinig bekend.11 Dit komt voornamelijk doordat de focus van archeologisch onderzoek veelal op de spectaculaire (en herkenbare) motteberg heeft gelegen, de voorburcht zeer aan verandering onderhevig was en de gebouwen meestal van vergankelijkere materialen waren gemaakt dan het werkelijke kasteel. De meeste mottes hadden één voorburcht. Bij kleinere mottes ontbrak waarschijnlijk de voorburcht of stond aan de voet van de motteberg slechts een eenvoudige boerderij.12 Meestal sloot de voorburcht min of meer hoefijzervormig op de motteberg aan, ervan gescheiden door de gracht rond de motteberg. Regelmatig was de voorburcht zelf ook opgehoogd, omgracht en beschermd door een wal en/of palissade. Binnen deze verdedigingswerken bevonden zich de bedrijfsgebouwen, stallen, schuren, voorraadkamers en verblijfplaatsen van de bedienden en werklui. Soms was hier ook de woning en de kapel van de heer en zijn familie, zeker indien de constructie op de motte niet meer dan een houten (uitkijk)toren betrof.13

Archeologen in de dop

Geschiedenis van kasteel Spreeuwenstein

Wanneer kasteel Spreeuwenstein is gebouwd is niet bekend. Mogelijk is het kasteel tegelijk met de omliggende polder, het Oudeland van Diepenhorst, aangelegd. Helaas is ook de datering van de aanleg van deze polder niet bekend. Wel weten we dat deze vóór 1173 moet zijn aangelegd, aangezien de polder in dat jaar is overstroomd.

De oudste vermelding die verwijst naar kasteel Spreeuwenstein dateert van 22 juni 1336. Costijn Heynricszn. Van Somerlandt,14 een achterachterkleinzoon van Costijn Van Somerlandt,15 geeft zijn vrouw voordeel aan zijn leengoederen. Dit bestaat uit een woning en de ommeloop binnen de gracht. Na overerving verkopen Costijn’s drie zonen tussen 1356 en 1378 dit bezit aan Gerard, de bastaardzoon van Albert Van Voorne.16 Hierbij wordt het bezit omschreven als het huis en de hofstad met de ommeloop.17 Derhalve kan verondersteld worden dat tot 1356 Spreeuwenstein de residentie was van het geslacht Van Somerlandt. Door de verkoop komt Spreeuwenstein in Van Voornes bezit. Gerard’s zoon Gerard erft in 1380 aanzienlijke leengoederen inclusief het huis te Ouddorp. Hij noemt zich naar de motte: ‘Spreeuwensteijn’ en ook zijn nageslacht doet dat.

Hoelang Spreeuwenstein als residentie heeft gediend is niet bekend. Uit de rekeningen van Van Voorne is bekend dat in 1384, na de overstromingen van 1383, allerlei bouwmaterialen waaronder stenen en spijkers worden vermeld ter reparatie van Spreeuwenstein. Ook wordt gesproken over het dekken van het ‘nederhuis’, wat mogelijk wijst op bebouwing op de voorburcht. Het jaar daarop (1385) worden allerlei materialen van het ‘oude huis’ overgebracht naar het ‘Hof’ om daar te worden hergebruikt. Het Hof betreft waarschijnlijk een andere locatie aan de Hofdijk in Ouddorp.

Over kasteel Spreeuwenstein in de 15e en 16e eeuw is weinig bekend. In de 13e tot en met de 16e eeuw werd de regio geteisterd door oorlogsgeweld en overstromingen. Mogelijk is het kasteel na één van deze rampen verlaten. Op basis van een vermelding van Van Dam uit 1680 is aan te nemen dat het kasteel voor het midden van de 17 e eeuw reeds is verdwenen. Door Van Dam wordt enkel vermeld dat het een vluchtheuvel is, waar vee in geval van hoog water een droog heenkomen kon zoeken. Op de kaart ‘Het Oudeland van Diepenhorst’ door A. Steyaart uit 1698 is de motte en de omliggende gracht nog wel zichtbaar (fig. 2). Hoewel het kasteel is verdwenen, blijven het terrein en het leen bestaan en via een reeks van overervingen en transacties eindigt het bij Maximiliaan IJvoij (1717-1783). Deze ‘heer IJvoij’ is van belang bij de sloop van de (laatste) resten van het kasteel. De heer Jongejan beschrijft dat na 1752 heer IJvoij de laatste restanten van het kasteel laat slopen Hierbij werden grote kamers en onderaardse gangen aangetroffen. Verder vermeldt Jongejan dat in 1750 “van dit kasteel nog de puinhopen en steene trappen gezien, dog dezelve zijn in de jaere 1752 geslegt en de grond tot bouwland gebruikt. Voor die tijd pleegen de inwoonders van ’t Outdorp uit deezen berg en van de ruinen des kasteels steenen te haalen. Ja, selfs de fondamenten uit te graven…”.18 Volgens Schelhaas (2000) betreffen de aangetroffen steenconstructies een vierkant vertrek en zware funderingen. Deze staan afgebeeld op een krijttekening van de Blauwe Steen (een andere naam voor Spreeuwenstein) uit de 18e eeuw (fig. 3). Volgens deze schematische tekening is het terrein omgeven door een gracht (aangegeven met B) van 40 treden breed. Deze gracht is gevuld met zand en aarde. De heuvel (aangegeven met A) is 255 treden in omtrek.19 Het gevonden vertrek (aangegeven met C) is vierkant van vorm en heeft een zware fundering. In 1776 is de ruimte weer opgevuld met zand. Recht tegenover het vertrek is een zware muur aangetroffen.20 Vanuit de familie IJvoij is het eigendom overgegaan op particulieren uit Ouddorp en Goedereede. Het terrein is gebruikt als bouwland en weiland. Tegenwoordig is het in bezit van de heer B. Tuk. Het terrein bestaat uit weiland met enkele sloten. Recentelijk zijn enkele hagen geplaatst.

Archeologen in de dop

Het archeologisch onderzoek

Bij aanvang van het archeologisch onderzoek werden op het terrein resten van een gedempte gracht rond de motteberg (en mogelijk de voorburcht), ophogingslagen van de motteberg en de voorburcht en resten van mogelijke (bak)stenen structuren op de motteberg en de voorburcht verwacht. Meer specifiek werd aan de voet van de motteberg (aan de noordzijde) een stenen structuur verwacht. Op de voorburcht konden resten aanwezig zijn van (houten) bebouwing, beer- en waterputten, (afval)kuilen, tuinen en/of boomgaarden en paden. De resten waren waarschijnlijk wel (deels) verstoord tijdens het slopen van het kasteel, het afgraven van de motteberg en het gebruik van het terrein als bouwland.

Archeologen in de dop

Het kasteelterrein en directe omgeving zijn in 2015-2016, met hulp van leden van de Historische Vereniging De Motte, onderzocht door middel van een elektrisch weerstands- en booronderzoek (fig. 4). Een elektrische weerstandsmeter kan verschillen in de elektrische weerstand van de bodem meten en in kaart brengen. Deze verschillen worden voornamelijk veroorzaakt door de grondsoort en de mate waarin de ondergrond vocht vasthoudt. 21 Vochtige grond geleidt elektriciteit beter dan droge grond. De verschillende kunnen ook duiden op archeologische resten in de grond, zoals grachten (lage weerstand) en funderingen en/of puin (hoge weerstand). Dit maakt dit apparaat uitermate geschikt voor onderzoek naar kastelen. Na het eerste onderzoek bleef nog een aantal vragen en onduidelijkheden bestaan over kasteel Spreeuwenstein. Derhalve is in 2017, wederom met hulp van leden van De Motte, een aanvullend booronderzoek uitgevoerd. 22 Dit onderzoek heeft zich gericht op het noordelijke deel van het terrein: de voorburcht en de gracht.

In het volgende wordt eerst het (natuurlijk) landschap beschreven waarin het mottekasteel heeft gelegen. Hierna worden de aangetroffen resten van het kasteel beschreven.

Landschap

Kasteel Spreeuwenstein is landschappelijk gesitueerd aan de zuidoostzijde van het voormalige eiland Goeree (Westvoorn), direct achter de met duinen afgedekte strandwal, in de polder het Oudeland van Diepenhorst. De datering van de aanleg van deze polder is niet precies bekend, maar het moet vóór 1173 zijn geweest, aangezien de polder in dat jaar is overstroomd.

De ondergrond van het kasteelterrein bestaat uit aanslibbingen (mariene afzettingen) afgezet in meerdere fasen. Oudere afzettingen en eventueel aanwezig veen zijn bij deze sedimentatie geërodeerd tot grote diepte. In fig. 5 is te zien dat de ondergrond van het kasteelterrein is opgebouwd uit zandige wadplaatafzettingen, afgedekt met kleiige kwelderafzettingen. Een kwelder is een begroeid kustgebied dat alleen bij zeer hoge waterstanden (bijvoorbeeld stormvloed) onder water komt te staan. Deze afzettingen zijn van voor de inpoldering van het gebied. Plaatselijk zijn de kwelderafzettingen afgedekt met laatmiddeleeuwse dijkdoorbraakafzettingen (overstromingsdek). Deze worden afgedekt door opgebrachte/geroerde grond (uit de Nieuwe tijd, vanaf circa 1500) en de huidige bouwvoor. In het noordelijke deel van het terrein zijn, op dezelfde diepte als de kwelderafzettingen, kreek(geul)afzettingen aangetroffen. Dit doet vermoeden dat ten noorden van het kasteelterrein een kreekgeul heeft gelopen, die mogelijk nog watervoerend was ten tijde van de aanleg van de voorbucht. Dergelijke (voormalige) kreekgeulen zijn in polders vaak nog als kronkelige sloten te herleiden (zie bijvoorbeeld het oostelijke deel van de polder tussen de Schans en Goedereede). Mogelijk volgt de (niet kronkelende, maar wel bochtige) Steenweg de loop van een voormalige kreek. Boringen aan weerskanten van deze weg duiden hier mogelijk op. Het is echter moeilijk om kreekgeulafzettingen en slootvulling van elkaar te onderscheiden. Soms bleven na indijking de kreken als depressies of als watervoerende geultjes aanwezig, waarna ze langzaam natuurlijk opgevuld raakte met zand (ook wel verlanden genoemd). Aangezien de motte vermoedelijk een vergelijkbare ouderdom heeft als de polder waarin deze ligt, kan het zijn dat de kreekgeul nog watervoerend was ten tijde van de bouw. De kreek vormde mogelijk een natuurlijke barrière aan de noordzijde van het kasteelterrein. Indien deze kreek in verbinding stond met de gracht rondom de voorburcht en de motte is deze wellicht ook bewust open gehouden met oog op watertoevoer en verdediging. Vertakkingen van de kreek (die in het noordelijk deel van het kasteelterrein zijn aangetroffen) zijn mogelijk ‘gedempt’ met ophogingslagen.

Archeologen in de dop

Resultaten archeologisch onderzoek

Tijdens het archeologisch onderzoek zijn verschillende resten aangetroffen van kasteel Spreeuwenstein (fig. 5, 6 en 7). Het gaat om een gracht, een motteberg, een mogelijk poortgebouw en/of brug en een voorburcht. Daarnaast heeft het onderzoek informatie opgeleverd over verstoringen in de ondergrond. Vooral het noordoostelijke deel van het terrein is in het verleden verstoord. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de verstoringen voormalige kavelgreppels uit de 18e of 19e eeuw betreffen. Deze verstoringen maken het begrenzen van elementen van het kasteel in het noordoostelijke deel van het terrein problematisch.

Motteberg

De motteberg betreft een opgeworpen, ronde structuur (fig. 6, A) met een diameter van circa 60 m aan de voet en een diameter van circa 40 m aan de top van de berg (het platform; fig. 6, A2).23 De motteberg is opgebouwd uit ten minste twee ophoogpakketten (fig. 5). Deze liggen direct op de natuurlijke kwelderafzettingen.

Op het platform is een min of meer vierkante (uitbraak)kuil aanwezig met zijden van 18-19 meter (fig. 6, A3). Deze kuil betreft mogelijk het enige overblijfsel van een structuur dat op de top van de motte heeft gestaan. Hierbij kan gedacht worden aan een (deels ingegraven) houten of stenen toren. De motteberg is aan de voet omgeven door een (stenen) muur of wal met een breedte van circa 2 m (fig. 6, D). Mogelijk is deze muur of wal aangelegd om te voorkomen dat de motteberg in de gracht zou afglijden.

Voorburcht

Aan de noordzijde van de motteberg is waarschijnlijk een voorburcht aanwezig (fig. 5; fig. 6, E). Ter hoogte van de voorburcht is een ophogingslaag aangetroffen, welke afwijkt van de aangebrachte pakket (uit de Nieuwe tijd) dat over het gehele terrein is gevonden (fig. 5; fig. 7). Deze ophogingslaag bevat relatief meer bouwpuin, bestaande uit rood- en geel baksteen en mortel. De precieze herkomst van dit losse puin is op basis van het onderzoek niet exact te bepalen. Mogelijk is het puin afkomstig van steenbouw op de voorburcht en/of de motteberg. Puinconcentraties aan de westkant van de voorburcht wijzen mogelijk op de restanten van bakstenen bebouwing aldaar. Na het slopen van de bebouwing is dit puin verspreid over en vermengd geraakt in het toenmalige oppervlak. Daarna is dit losse bouwpuin (en mogelijk ook de ophogingslaag) door agrarische activiteiten op het perceel en (lokale) egalisering (verder) verspreid geraakt. Het lijkt erop dat het ophogingspakket uitwigt in noordelijke richting (fig. 5).

De exacte vorm van de voorburcht kan, door verschillende verstoringen in het noordelijke deel van het kasteelterrein, niet bepaald worden. Mogelijk betreft het een hoefijzervormige voorburcht, vergelijkbaar met de motte van Oostvoorne.24 In dat geval heeft de voorburcht een omvang van circa 40 bij 30 meter gehad.

Gracht

Direct rond de motteberg is een gedempte gracht aangetroffen (fig. 5; fig. 6, B; fig. 7). Deze heeft een breedte van circa 22 m aan de noord-, oost- en westzijde, terwijl aan de zuidzijde de gracht circa 28−30 m breed is. Een vergelijkbare verbreding aan de ‘achterzijde’ is ook waargenomen bij het mottekasteel De Berg van Troje te Borssele.25 Mogelijk heeft deze verbreding aan de achterzijde een strategische functie. Een van de vragen die nog beantwoord moest worden met het aanvullend booronderzoek was of de voorburcht ook omgracht is geweest. Op fig. 6 is te zien dat aan de noordwestzijde de gracht naar het noorden (richting de Steenweg) lijkt door te lopen. De loop van de gracht lijkt te worden bevestigd door het aanvullende booronderzoek (fig. 7). Aan de oostkant is de gracht echter niet verder naar het noorden te volgen, waarschijnlijk door de verstoringen aldaar.

De gracht is ingegraven in de dek- en kwelderafzettingen en was circa 1,2 tot 1,6 meter diep. Plaatselijk lijkt de gracht deels opgevuld te zijn met kreekafzettingen. Dit zou pleiten voor een natuurlijke watertoevoer naar de gracht, wellicht vanuit het restant van de kreekgeul die ten noorden van het kasteelterrein liep. In het noordwesten van het kasteelterrein is de gracht mogelijk deels opgevuld geraakt met duinzand (fig. 7). Of dit zand door de wind of door de mens is aangebracht, kan op basis van het onderzoek niet nader worden bepaald. In de gracht is op enkele plaatsen baksteen puin aangetroffen, vooral tussen de motteberg en de voorburcht.

Archeologen in de dop

Poortgebouw en/of brug

Aan de noordzijde van de motteberg, bij de overgang tussen de motteberg (de gracht) en de voorburcht is tijdens het onderzoek een fundering van rode baksteen aangetroffen (fig. 5; fig. 6, C). Het is onduidelijk welke vorm dit gebouw heeft gehad. Op basis van de ligging ten opzichte van de motte betreft het mogelijk een brug en/of toegangspoort, vergelijkbaar met de motte van Oostvoorne.26 De ligging en aard van deze funderingen komen goed overeen met de krijttekening van de Blauwe Steen uit de 18 e eeuw.

Conclusie

Tijdens de archeologische onderzoeken zijn verspreid over het terrein verschillende resten van kasteel Spreeuwenstein aangetroffen. Deze bestaan uit de nog zichtbare motteheuvel (mogelijk opgeworpen in meerdere fasen), een omwalling aan de voet van de motteberg en aanwijzingen voor een voorburcht en structuren van een poortgebouw en/of brug tussen de voorburcht en de motteberg. Direct rond de motteberg en aan de westzijde van de voorburcht is een gedempte gracht aangetroffen. Mogelijk heeft deze gracht aangesloten op een natuurlijke kreek ten noorden van het kasteelterrein.
Het archeologische onderzoek naar Spreeuwenstein heeft dus zowel informatie over het landschap, over het kasteel zelf, als over mottekastelen in Zuid-Holland opgeleverd.

* Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. , Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden

Noten:

1. Verschoof-van der Vaart, 2016; Wink & Verschoof-van der Vaart, 2017.

2. Besteman, 1981, 40-41; Janssen, 1996.

3. Janssen, e.a., 1996; Van Reyen, 1965.

4. Van Reyen, 1965.

5. Janssen e.a., 1996.

6. Besteman, 1981

7. Hoek, 1981.

8. Van Reyen, 1965.

9. Janssen, e.a., 1996.

10. Janssen, e.a., 1996: 41-42.

11. Mostert, 2013.

12. Van Reyen, 1965.

13. Janssen, e.a., 1996; Van Reyen, 1965.

14. Voor een uitgebreide verhadeling over het gebied Somerlandt, zie Olivier, 1999.

15. Bekend van een document uit ca. 1220.

16. Hoek, 1979.

17. Olivier, 1999.

18. Both, 2007.

19. Een Trede is een oude lengtemaat gelijk aan 1 Schrede = 2,5 Voet. Uitgaande van de Rijnlandse of Schouwse Voet is dit circa 0,775 m (2,5 x 0,31). De gracht zou derhalve circa 31 m breed zijn en de diameter van de motteberg circa 63 m.

20. Met dank aan de heer B. tuk voor het aanleveren van de vertaling van de tekst bij de krijttekening.

21. Gaffney & Gater, 2003.

22. Wink & Verschoof-van der Vaart, 2017.

23. Dit komt goed overeen met de omvang zoals weergegeven op de krijttekening uit de 18e eeuw (fig. 3).

24. Mostert, 2013.

25. Verschoof-van der Vaart, 2015.

26. zie Janssen, e.a., 1996; Mostert, 2013.

Literatuur:

Besteman, J.C., Mottes in the Netherlands: a provisional survey and inventory. In: Hoekstra, T.J., H.L. Janssen & I.W.L. Moerman (red.), Liber Castellorum, 40 variaties op het thema kasteel. (Zutphen 1981), 40-59.

Both, J.C., Kasteel Spreeuwenstein te Ouddorp geslecht. In: De Ouwe Waerelt, nr. 20, september 2007.

Gaffney, Chr., J. Gater, 2003. Revealing the buried past: geophysics for archaeologists. Tempus, Stroud (UK).

Heeringen, R.M. van, A.G. Jong, M.J.G.Th. Montforts, A.W.P.M. Penders & C.A.M. van Rooijen, Monumenten van aarde. Beeldcatalogus van de Zeeuwse bergjes. Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten (Amersfoort / Koudekerke 2007).

Hoek, C., De heren van Voorne en hun heerlijkheid. In: De Motte (red.), Van Westvoorne tot St. Adolfsland. Historische verkenningen op Goeree-Overflakkee (Ouddorp 1979).

Hoek, C., Begraven hofsteden in het Maasmondgebied. In: Hoekstra, T.J., H.L. Janssen & I.W.L. Moerman (red.), Liber Castellorum, 40 variaties op het thema kasteel (Zutphen 1981), 122-143.

Hoekstra, T.J., H.L. Janssen & I.W.L. Moerman (red.), Liber Castellorum, 40 variaties op het thema kasteel (Zutphen 1981).

Janssen, H.L., J.M.M. Kylstra-Wielinga & B. Olde Meierink, 1000 jaar kastelen in Nederland: functie en vorm door de eeuwen heen (Utrecht 1996).

Mostert, I., Werven en voorhoven. Een interdisciplinair onderzoek naar de mottekastelen op Walcheren. Walcherse Archeologische Rapporten 37. Walcherse Archeologische Dienst (Middelburg 2013).

De Motte (red.), Van Westvoorne tot St. Adolfsland. Historische verkenningen op Goeree-Overflakkee (Ouddorp 1979).

Olivier, R., Sprekend Verleden. De Motte (Ouddorp 1999).

Reyen, P.E. van, Middeleeuwse kastelen in Nederland (Fibulareeks 9) (Bussum 1965).

Schelhaas, T., 2000. Spreeuwenstein bij Ouddorp. In: Stöver, J. (red.), Kastelen en buitenplaatsen in Zuid-Holland (Leiden/Zutphen 2000), 406-411.

Stöver, J. (red.), Kastelen en buitenplaatsen in Zuid-Holland (Leiden/Zutphen 2000).

Verschoof-van der Vaart, W.B., Plangebied De Berg van Troje te Borssele, gemeente Borsele; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventarisend veldonderzoek (geofysisch). RAAP-rapport 3074. RAAP Archeologisch Adviesbureau (Weesp 2015).

Verschoof-van der Vaart, W.B., De kasteelberg Spreeuwenstein, gemeente Goeree-Overflakkee; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventarisend veldonderzoek (geofysisch). RAAP-rapport 3167. RAAP Archeologisch Adviesbureau (Weesp 2016).

Wink, K. & W.B. Verschoof-van der Vaart, Plangebied Kasteelberg Spreeuwenstein in Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (karterende fase). RAAP-notitie 5683. RAAP Archeologisch Adviesbureau (Weesp 2017).

Onderschriften afbeeldingen

1. Luchtfoto van het kasteelterrein Spreeuwenstein vanuit het noordwesten (Bron: B. Tuk).

2. Uitsnede van de kaart van de polder 'Het Oudeland van Diepenhorst' door A. Steyaart uit 1698 (Bron: Schelhaas, 2000).

3. Tekening in rood krijt van de 'De Blauwe Steen' vanuit het noorden uit de 18e eeuw (Bron: Schelhaas, 2000).

4. Impressie van het geofysisch onderzoek (Bron: S. Olivier).

5. Noord-zuid georiënteerd dwarsprofiel over het kasteelterrein (Bron: Wink & Verschoof-van der Vaart, 2017).

6. De resultaten van het elektrisch weerstandsonderzoek met de aangetroffen structuren (blauw) en verstoringen (rood) (Bron: Verschoof-van der Vaart, 2016).